Aan de slag…

 

 

Gespreksleider (GL): “Dames en heren. Vandaag gaan we een socratisch gesprek voeren.”

GL: “Kunnen jullie even aangeven hoe jullie het ervaren zo’n socratisch gesprek in de klas? Wie durft?”
Een leerling (LL): “Dat je ook wel beter bij jezelf gaat nadenken.”
LL: “Je leert kritisch nadenken.”
GL: “Wat nog meer?”
LL:”Je leert elkaar beter kennen.”
GL:”Goed. Je leert elkaar beter kennen en er ontstaat vertrouwen.”

“De eerste stap in het socratisch gesprek is een geschikte uitgangsvraag. We zetten er maximaal 3 op het bord. Wie heeft een goeie uitgangsvraag? Wie wil beginnen?”
LL:”Wat is het verschil tussen toeval en lot?” (komt als nr. 1 op het bord)
GL: “OK. Andere Vraag?”
LL: “In hoeverre is je eigenwaarde afhankelijk van anderen?” (komt als nr. 2 op het bord)
LL: “Hoe ga je om met asociale mensen?”
LL: “Dan moet je wel zeggen wat een asociaal mens is.”
GL: OK. Zullen we dan die doen? W at is een asociaal mens?” (komt als nr. 3 op het bord)

 

GL: “We gaan één van deze vragen kiezen; jullie mogen elkaar overtuigen waarom we 1, 2 of 3 moeten doen.”
LL: “Ik twijfel tussen 1 of 2 maar niet nummer 3.”
LL: “Niet nummer 1.”
LL: “Ja, toeval en lot; dat is een rare vraag. Het gaat namelijk over de betekenis van de 2 woorden.”
GL: “Ja, wat betekent lot dan?”
LL: “Iets wat voorbestemd is.”
LL: Volgens mij zijn de meesten voor nummer 2”.
GL: “Ik vind het prima. Iedereen akkoord?”

Instemming

GL: Dan gaan we een kring maken.”
Iedereen vormt cirkel met stoelen.

GL: “Goed. Ik wil dit even op de officiële manier dan. We gaan dus met elkaar een gesprek voeren. In een socratisch gesprek zijn 3 zaken erg belangrijk. Ten eerste is dit dat we goed naar elkaar luisteren. Zo goed dat we altijd in staat zijn om het laatste te kunnen herhalen en om het luisteren nog verder te bevorderen probeer ik ook te stimuleren om af en toe een samenvatting te geven van alles wat tot nu toe gezegd is. Ten tweede is van belang dat jullie zelf nadenken en dat jullie uitsluitend spreken vanuit jullie eigen gedrag; dus ook niet dat jullie zeggen, ik heb dat uit dit of dat boek en dat die of die gezegd heeft dat het zus of zo zit met eigenwaarde. Nee, het boek laat je even los en je denkt en spreekt enkel vanuit jezelf.” Als derde is van belang dat ik gesprekleider ben en ik bepaal wie er hier wanneer mag spreken. Voor de rest gaat het hier altijd wel goed. Dus als je iets wil zeggen, steek je even je hand op.
Voor alle duidelijkheid, je mag een metagesprek aanvragen.”
LL: “Wat is een metagesprek?”
GL: “Een metagesprek is een gesprek over het gesprek. Dan kun je zeggen, ja sorry, het gesprek gaat niet zoals het zou moeten gaan of als je wilt zeggen, mijnheer, u geeft uw eigen mening terwijl u dat niet mag dan vraag je even een metagesprek aan en dan leveren we kritiek op het gesprek zelf of op mij. Dan kunnen we de boel rechtzetten. Zijn er nog vragen over de vorm van het gesprek? Nee? Goed dan gaan we beginnen met het onderwerp van vandaag; In hoeverre is eigenwaarde afhankelijk van anderen? Is er iemand die een voorstel heeft over hoe we deze vraag kunnen onderzoeken?”
LL: “Nou, dan moeten we eerst kijken wat eigenwaarde nou precies is.”
GL: “Zijn jullie het daar mee eens?”

Instemming

GL: “OK. Wat is eigenwaarde?”
LL: “Ik denk het gevoel dat je belangrijk bent, dat je iets te betekenen hebt en dat je iets goeds hebt gedaan. Dat je tevreden bent over jezelf.”
GL (tot andere LL): “Kun jij even herhalen?”
LL: “Euh, sorry, ik ben een beetje afgeleid.”
GL: “Goed, iemand anders?

Herhaling door andere leerling

GL: “Zijn daar nog toevoegingen op?
LL: “Ik denk dat het meer algemener is namelijk hoe je over jezelf denkt. Het hoeft niet altijd positief te zijn. Het kan ook negatief zijn.”
LL: “Maar als je bijvoorbeeld geen eigenwaarde hebt, dus dan…”
LL:” Maar dat is dus dan toch ook een eigenwaarde op een bepaalde manier.”

Leerlingen praten door elkaar

GL: “Maar wat is het nu?”
LL: Volgens mij is eigenwaarde een positief gevoel over jezelf. Het is dus altijd positief.”
GL: “OK. Volgens jou kan het dus niet negatief zijn. Iemand anders?”
LL: “Volgens mij kan je eigenwaarde hoog zijn maar ook laag. Lage eigenwaarde is als je niet zo goed over jezelf denkt maar toch is het dan niet negatief.”
LL: “Ik ben het daarmee eens. Eigenwaarde is wel goed maar je kan ook een lage eigenwaarde hebben.”
GL: “OK. Wil iemand daar nog iets aan toevoegen. We hebben dus al gehoord dat lage eigenwaarde minder positief kan zijn, misschien negatief. Een hoge eigenwaarde is heel positief. Eigenwaarde gaat over de waarde die je aan jezelf hecht, over trots zijn, over belangrijkheid, nog meer?”
LL: “Ik zou nog willen toevoegen dat het heel veel te maken heeft met zelfrespect.”
GL:”Met zelfrespect? Iemand reacties daarop?”
LL:”Ik ben het daar wel mee eens want als mensen onaardig doen, ze zeggen nare dingen dan krijg je een laag zelfrespect en dan ga je erin geloven en dan krijg je ook een lage eigenwaarde. Ze staan dus met elkaar in verband. En als de mensen positief over je doen dan is het makkelijker om er zelf ook in te geloven en dan krijg je een hogere eigenwaarde.”
GL: “OK”
LL:“Maar als je veel respect hebt voor jezelf dan kan je jezelf boven die onaardige dingen zetten, dan ga je je er niet veel van aantrekken.”
LL:”Ik denk dat het toch afhangt van je eigen zelfvertrouwen. Als je toch een groot zelfvertrouwen hebt dan kunnen anderen minder inbrengen tegen jouw zelfrespect. Als je een laag zelfvertrouwen hebt dan laat je het meer afhangen van anderen.”
LL: “Maar je zelfvertrouwen gaat toch altijd afhangen van anderen. Als anderen zeggen dat je iets goed hebt gedaan, dan krijg je toch meer zelfvertrouwen, zelfrespect.”
GL:“Goed. Ik heb het gevoel dat we nu de vraag te pakken hebben. Dat we de vraag over wat eigenwaarde is, hebben losgelaten en dat we langzaam de brug hebben geslagen naar de vraag gaan die op het bord staat.”
LL:“Volgens kun je zelf je zelfvertrouwen laten groeien. Je hebt daar niet persé anderen voor nodig.”
LL:” Maar als je nooit complimentjes krijgt dan krijg je niet veel zelfvertrouwen. Want waar moet je het dan vandaan halen?”
GL:“Is een goeie vraag. Waar moet je je zelfvertrouwen vandaan halen zonder anderen?”
LL:“Het hangt af van je eigen persoon. Als je een sterke persoon bent dan is het makkelijker om alleen je eigen zelfvertrouwen op te bouwen maar als je zelf nogal afhankelijk bent van mensen en heel graag bevestiging wilt hebben dan is het weer veel moeilijker om dat in je eentje op te bouwen.”
LL:“Ik denk hoe zelfstandig je ook bent, je hebt altijd andere mensen nodig. Je kan wel heel erg denken, ik ben cool, maar al is het maar je ouders, je hebt in ieder geval iemand nodig.”
GL:“OK. Dan kunnen we ieder geval vaststellen dat de vraag die op het bord staat goed te onderzoeken is. Verder?”
LL:”Ik was het niet helemaal eens. Als ik zelf een goeie prestatie heb geleverd dan kan dat ik dat zelf wel bepalen. Ik heb daar niemand anders voor nodig.”
LL:”Maar dat zelfvertrouwen om te zeggen, dat heb ik goed gedaan, dat heb je ook ergens vandaan gehaald. …”

Leerlingen praten door elkaar

GL: “OK. Wie gaat verder?”
LL: “Nou, ik denk dat het heel persoonlijk is hoeveel waarde je hecht aan wat anderen zeggen. Je bent van nature of meer afhankelijk, of meer zelfstandig. … Ik denk dus dat het persoonlijk is”.
LL: “Ik denk dat het waar is.”
LL:”Ik denk inderdaad dat het van de persoon afhangt hoeveel complimentjes je nodig hebt maar volgens mij heeft iedereen op zijn minst 1 persoon nodig, in ieder geval bijvoorbeeld je eigen ouders.”
LL:”Als je het enkel laat afhangen van je ouders dan kan je nooit een goeie eigenwaarde hebben.”
LL:”Ik ben het daar wel mee eens. Ik denk dat iedereen minstens 1 persoon moet hebben die dat zegt. En dat geldt voor het negatieve deel nog zwaarder.”
GL: “OK. Als laatste. Of neen, als voorlaatste.”
LL:”Waar we het net over hadden, over het positieve en het negatieve. Ik denk dat je voor je eigenwaarde niet veel personen nodig hebt, bijvoorbeeld wel je ouders, maar dat het wel snel door anderen omlaag kan worden gebracht.”
GL:”Maar is dat dan uitsluitend door andere mensen of kun je jezelf ook naar omlaag brengen?”
LL:”Ja dat kan wel. Als je bijvoorbeeld zegt, dat heb ik echt niet goed gedaan, dan haal je jezelf omlaag.”
GL:”OK. Dan gaan we nu langzaam naar een concreet voorbeeld zoeken. Nog een allerlaatste opmerking?”
LL:”Ik wilde nog zeggen dat voor mij het eigen aandeel het belangrijkst is.”
GL:”We zijn al een heel eind in het onderzoeken van de vraag. We gaan nu een sprong vooruitmaken. We gaan onderzoeken hoe die afhankelijkheid blijkt in ons eigen leven. Ik wil weten waar je was, wat deed je, wat dacht je en wat je voelde.”
LL:”Mag het positief of negatief zijn?”
GL: “Dat mag allebei.”

Pauze terwijl de leerlingen nadenken

GL:”Je mag ook met een voorbeeld komen waaruit juist de onafhankelijkheid blijkt.”
LL: “Ik wil nog even iets anders zeggen. Ik denk dat je soms niet in je eigenwaarde wordt erkend.”
GL:”Heeft iedereen dit begrepen? Neen. Kun je het concretiseren?”
LL:”Als je bijvoorbeeld vindt, het maakt mij niet uit wat de rest ervan vindt maar je kunt het dan nog steeds jammer vinden dat anderen het niet leuk vinden. … Bijvoorbeeld een film of zo die vind je leuk maar niemand anders vindt hem leuk dan kan je hem nog steeds leuk vinden en nog steeds eigenwaarde hebben. Maar je vindt het wel jammer dat je door anderen niet wordt erkend.”
LL:”Maar dit heeft niet met eigenwaarde te maken. Dit is gewoon wat jij vindt. Het gaat er toch niet om wat je van een film vindt.”

Leerlingen praten door elkaar
GL herstelt de orde

LL:”Ik denk ook dat dit niet met eigenwaarde te maken heeft. Dit gaat gewoon over erkenning in een mening… Ik denk dat als je eigenwaarde hebt, dat het dan niet uit maakt wat anderen over iets zeggen.”
LL:”Het hoeft natuurlijk niet over een film te gaan. Ik denk dat als je van jezelf denkt, hé, ik ben een leuk mens en anderen dan zeggen, hé, jij ziet er niet leuk uit en jij bent geen leuk mens dan kun je bij jezelf nog steeds denken, ik vind het jammer dat jullie dat vinden maar ik vind mezelf nog steeds een leuk mens die er goed uitziet.”
GL:”OK. Dan zijn we er. Nog een toevoeging en dan gaan we naar de voorbeelden.”
LL:” Ik denk juist dat je uit een negatieve ervaring juist meer zelfvertrouwen kunt creëren.”

GL herhaalt

LL:”Ik ga een voorbeeld geven.”
GL:”We zijn bij de voorbeelden beland. Eindelijk.”
LL:”Ik had ruzie met iemand een tijdje geleden. We weten dat we niet meer met elkaar om kunnen gaan… Ik weet nu dat ik best wel zonder kan. Dat ik beter af ben zonder…”
GL:”OK (tot andere leerling) Snap jij wat ze zegt?”
LL:”Ja.”
GL:”OK. Kun je dan even kort herhalen?”
LL:”Nou, uit een negatieve ervaring kun je dus ook iets positievers halen. Als je jezelf best wel slecht voelt, dat je dan zegt, ik ben eigenlijk beter dan hoe ik was.”
GL:”OK. Helder.”
LL:”Nou, maar was die negatieve ervaring, of wat je ervan in eerste instantie dacht, dan eigenlijk geen positieve ervaring?”
LL:”Neen, het blijft een negatieve ervaring want ik had liever gehad dat wij vrienden waren.”
LL:”Dan is het toch weer dat positieve..”
LL:”Neen, het was dubbel. Aan de ene kant is het zo dat ik het jammer vind maar langs de andere kant weet je dat het een goeie vriend was en dan kan ik het geen positieve ervaring noemen.”
LL:”Ik denk dat het aan de soort negatieve ervaring ligt want stel dat één van je ouders overlijdt dan haal ik daar nou niet eigenwaarde uit. Je kan het positief maken en erover heen komen maar om daar nu eigenwaarde uit te halen.”
GL:”OK. Jij denkt dat het nu tijd is voor een meta-gesprek.”
LL:”Dat heeft toch niks meer eigenwaarde te maken. Jouw ouders zeggen, we gaan dood en …”

Leerlingen praten door elkaar

GL: “OK, OK, dus correctie hier. Laten we weer terug gaan naar het gesprek toe. We gaan naar Rens toe voor een concreet voorbeeld.”
LL:”Nou, ik heb een voorbeeld van eigenwaarde die naar omhoog gaat. Ik had dus nieuwe kleren gekocht en ik had ’s avonds een feestje en iedereen zei ook van hij heeft leuke kleren aan. En daar word je toch wel vrolijk van. Ik dacht zelf wel van, het zijn mooie kleren en ik zie er leuk uit want daarom heb ik ze ook gekocht maar dat anderen dat zeggen dat is dan toch wel een bevestiging van.”
GL:”Dus jij voelde je helemaal op en top dan?”
LL:”Ja.”
GL:”Was het ook van belang, die eigenwaarde op dat feestje?”
LL:”Hoe bedoel je?”
GL:”Nou, precies zoals ik het gevraagd.”
LL:”Nou, als ik veel eigenwaarde heb, dan heb ik ook meer plezier.”
GL:”Snapt iedereen Rens zijn voorbeeld? Dat hij eerst met nieuwe kleren naar het feestje ging en dat hij dacht van dit zijn leuke kleren en vervolgens krijgt ie dat bevestigd.”
GL:”Laten we naar het volgende voorbeeld gaan. Yannick?”
LL:”Een voorbeeld dat je uit een negatieve ervaring iets positiefs haalt. Ik had zaterdag een hele slechte wedstrijd gespeeld en daardoor wil ik volgende keer nog beter presteren. Het was een negatieve ervaring maar nu wordt ik gepusht om beter te doen. En dat is positief.”

GL wijst leerling terecht wegens teveel babbelen met buurvrouw

GL:”Wie wil op dit voorbeeld reageren?”
LL:”Volgens mij is hier niet helemaal sprake van eigenwaarde maar gaat het over een, euh, drijfveer die je positief kan beïnvloeden maar je eigenwaarde niet echt.”  
LL:”Ik denk wel dat hij gelijk heeft maar als Yannick het straks heel goed doet dan heeft hij wel zoiets van, oh my god … De vorige wedstrijd ging het niet goed en daardoor heb ik mezelf gepusht en nu ging het wel goed en dan is hij best trots dat het wel goed ging.”
GL:”Dus die drijfveer heeft er wel degelijk iets mee te maken maar indirect?”
LL:”Ja.”
GL:”OK. Dan gaan we naar het volgende voorbeeld.”
LL:”Yannick heeft voor een stuk wel gelijk want als je bij jezelf zegt, ik kan het dan heeft dat een invloed op je eigenwaarde. Daar haal je dan wel een hoge eigenwaarde uit, als je zegt, ik kan het.”
GL:”OK. De volgende.”
LL:”Nou, wat Yannick als voorbeeld neemt, dat had ik ook. Ik had een atletiekwedstrijd en toen moesten we estafette lopen… En het ging echt niet goed, we konden ze niet meer inhalen. Toen we moesten we daarna gewoon sprinten, individu tegen individu en toen merkte ik dat ik wel sneller was dan die andere meisjes en dan hadden we iets van, we kunnen ze wel hebben als team. En de volgende wedstrijd was het weer estafette tegen die meisjes en toen ging het wel goed en was ik ook blij. De eerste keer lagen we een kilometer achter en nu nog maar 2 meter. Dus dat gaf zelf heel veel zelfvertrouwen en ik dacht van mezelf, dat heb ik goed gedaan en ik kreeg ook veel bevestiging van anderen die zagen dat ik het wel kon en dan stijgt je eigenwaarde heel erg.”
GL:”OK. Helder.”
LL:”Ik denk dat eigenwaarde een soort van combinatie moet zijn tussen wat anderen zeggen en wat jezelf vindt en dat het per situatie afhangt van wat belangrijker is…”
GL:”Wie heeft er nog een voorbeeld?”
LL:”Nou, in het eerste was ik nogal klein en best wel onzeker. Toen was er een optredenavond en ik dacht, dat is leuk, ik ga meedoen… Ik werd heel erg zenuwachtig en het ging helemaal niet goed maar ze klapten wel allemaal maar toch vond ik het niet goed. Dit was een deel van mijn voorbeeld waaruit blijkt dat mijn eigen oordeel belangrijker was dan het oordeel van anderen en ook wat ik dacht dat anderen over mij dachten belangrijker was dan wat ze zeiden. En de volgende dag ging ik naar school en was ik heel erg bang dat mensen me zouden aanspreken en zeggen, hé, dat was niet goed en daaruit blijkt dat het voor mij toch belangrijk was want anderen van mij vonden.”
GL:”Wil iemand nog reageren op dit voorbeeld? Want hier blijkt de afhankelijkheid uit maar blijkt ook haar eigen zekerheid uit.”
LL:”Ik wilde nog even weten: hoe reageerden ze de volgende dag?”
LL:”Nou gewoon… Er was niemand die reageerde van, oh my god, jij kan niet viool spelen.”
LL:”Maar dan speelt je eigen oordeel toch niet zo mee?”
LL:”Het positieve oordeel niet maar het negatieve dan weer wel want ik dacht zelf nogal negatief…. Ik denk dat het belangrijkste is dat wat ik dacht dat anderen dachten en dan wat ik zelf dacht en daarna wat de anderen echt dachten.”
GL:”OK. Is dit voorbeeld helder? Jij?”
LL:”Ja, voor mij wel.”
GL:”OK. Waaruit blijkt de afhankelijkheid dan?”
LL:”Ja, nou, …, dat zij denkt dat wat andere mensen denken zeg maar heel erg haar gevoel, haar zelfvertrouwen beïnvloedt…”
GL:”Aarzelend. En dus?”
LL:”Ja, en ook haar eigenwaarde.”

GL herhaalt

LL:”Ja, voor mij een beetje soortgelijk. Ik had onlangs iets goeds gedaan en dan kreeg ik veel goede reacties en dan dacht ik van, dat heb je echt wel goed gedaan maar daarna had ik iets slecht gedaan en dan zei iedereen van, hé, dat heb je goed gedaan. Dan denk ik van, is het echt zo of zeg je het maar. Dan denk ik dus vooral vanuit mijn eigen oordeel.”
GL:”Dus je denkt ook over wat anderen denken?”
LL:”Ja.”
LL:”Ik denk dat het er ook heel erg van afhangt wie het zegt… Maar als het mensen zijn die echt belangrijk zijn, bijvoorbeeld vrienden of je ouders, en die zeggen iets wat jezelf anders vindt dan komt dat harder dan dat het mensen zijn op school die zomaar iets zeggen, dan denk je van, maakt mij niet uit.”
GL:”OK. Hier hebben we dus een tweede of derde conclusie uit het gesprek. Dat het dus ook nog afhankelijk is van wie wat tegen jou zegt. Ja, Noortje?”
LL:”Ja, ik wilde nog even zeggen dat het een negatieve spiraal kan worden. Als je eigenwaarde niet echt hoog is dan ga je laag denken en ga je jezelf meer invullen met gedachten van die mensen en dan ga je nog meer negatief denken.”
GL:”OK. Wie wil daar specifiek op reageren? Dat je over datgene wat anderen mensen van je denken, je jezelf helemaal onderuit kan halen?”

Aantal leerlingen stemmen in   

GL:”Nog reacties? Of een ander voorbeeld?”
LL:”Ik had een soort van vriend en ik hoorde van een andere vriend dat hij mij arrogant vond. Iedere keer dat ik met hem praatte dan dacht ik, hij vindt mij arrogant, maar hij dacht, zij vindt mij ook arrogant en elke keer waren we tegen elkaar aan het bitchen tot op een gegeven moment hij tegen mij zei van ik vind je best wel arrogant en ik zei dat ik hem best wel negatief en sarcastisch vond en toen kwamen we erachter dat we eigenlijk allebei niet meenden. Het is dus eigenlijk wat je van iets of iemand denkt dat je dat dan gaat invullen voor wat anderen misschien helemaal niet vinden.”
LL:”Ik heb nog een voorbeeld van dat het wel afhankelijk is van de persoon. Het is misschien een stom voorbeeld maar mijn moeder die heeft best wel vaak tegen mij gezegd dat ze me te dik vindt. En omdat het je moeder is, trok ik me tenminste dat best wel aan… Conclusie is dat het belangrijk is van wie het zegt.”
GL:”Ja, dat kan heel erg bepalend zijn voor je eigenwaarde. Wil iemand daar nog iets over zeggen?”

Leerlingen praten door elkaar

GL:”Goed, we komen in een fase waarin we duidelijk conclusies kunnen trekken uit het gesprek in hoeverre eigenwaarde afhankelijk is van anderen.”
LL:”Volgens mij is eigenwaarde dus voor een deel afhankelijk van jezelf en ook voor een deel afhankelijk van anderen. Afhankelijk ook van hoe jezelf bent ingesteld en wie welke andere mening geeft.”
GL:”Aanvulling daarop?”
LL:”Nou, dat je eigenwaarde omlaag kan worden gehaald door anderen, maar omhoog dat dat minder van anderen komt.”
LL:”Ik ben het daar niet helemaal mee eens. Het ligt natuurlijk ook wel heel erg aan jezelf maar je kunt jezelf ook heel erg naar beneden halen en anderen kunnen je ook heel erg naar omhoog halen….Stel je bent heel zeker van jezelf en je zegt van jezelf, ik ben heel dun maar als iedereen dan zegt, oh, jij bent zo dik, dan kan je het echt niet meer aan. Dan wordt je op een gegeven moment na lange tijd, hoe sterk je ook bent, op een gegeven moment ga je dat geloven omdat belangrijke mensen dat zeggen. Dat haalt je dan heel erg naar beneden maar het kan ook omgekeerd van als je denkt, ik ben zo dik, en anderen zeggen altijd, jij bent zo dun dan krijg je weer iets positiefs over jezelf. Dus ik denk dat ze je net zoveel naar beneden kunnen halen dan naar omhoog.”
GL:”OK.”

Instemming

GL:”Wat was het nou ook alweer over dat wat jij dacht over wat anderen denken? Dat heb ik nog even gemist in de conclusie.”
LL:”… Het kan niet altijd hetzelfde zijn wat jij denkt dat andere mensen denken en wat zij zelf werkelijk denken. Dat jij denkt dat zij iets anders denken en dat je daar onzeker van kan worden.”
GL:”Ja, en daar kun je jezelf helemaal gek door laten maken…Maar kun je het op die manier ook naar boven halen?”
LL:”Volgens mij gaat dat eerder negatief werken.”
LL:”Ja, zo werkt het volgens mij niet. Niemand gaat van zichzelf denken, ze laten het niet blijken maar eigenlijk vinden ze me geweldig… Niemand is zo zelfzeker.”
GL:”Ik zou het hier graag bij willen laten. Wie wil er nog iets over het gesprek zelf zeggen? Een opmerking. Wat je hebt geleerd?”
LL:”Nou, ik vind het wel leuk te merken dat iedereen soms wel een totaal andere mening heeft. En je kan erover praten en elkaar proberen te beïnvloeden maar je blijft toch altijd je eigen mening hebben.”
LL:”Ja, ik dacht altijd dat eigenwaarde eigenlijk wel logisch is maar toen bleek dat niet zo te zijn. En dat hebben we wel vaker en dat is best wel grappig.”
GL:”OK. En wat heb je er specifiek van geleerd?”
LL:”Dat is best wel een moeilijke vraag… Ja, dat iedereen wel heel anders denkt over een bepaald onderwerp en dat ik eigenlijk dacht dat eigenwaarde meer afhankelijk was van anderen dan het blijkt te zijn.”
GL:”OK. Nog meer opmerkingen? … Dan zou ik hier graag bij willen laten. Bedankt voor jullie tijd.”